Riviersnoekbaarzen vanaf de kant

PETER DE KOCK – Hoe ga je om met stroming als je vanaf de kant op snoekbaars vist? Een vraag die Peter de Kock maar wat graag op de Nederlandse rivieren in de praktijk brengt. Het bracht hem in de loop der jaren een schat aan informatie over het ‘wanneer, waar, hoe en waarmee’. Ook niet-alledaagse informatie, zoals de grote invloed van de hoofdlijn op de aaspresentatie, is voor Peter een reden om een boekje open te doen en jullie de juiste weg te wijzen.

Een paar jaar geleden viste ik vanaf de kant een avond aan de Bergsche Maas. Aan de lijn een 7 grams loodkopje versiert met een 8 cm lang shadje. Om de situatie een beetje te schetsen; ik sta aan een havenhoofd en er staat een flinke stroming op de rivier. Direct voor mij ligt er een ondiepte van ongeveer 1,5 tot 2 meter diep. Op ongeveer 10 meter uit de kant volgt er een talud aflopend van 2 naar ongeveer 3,5 meter. Het lukt nog net om met 7 gram vanuit de stroming naar de stroomnaad en dus de grens naar stiller water te vissen. Geen enkele worp levert echter een aanbeet op. Ik vis met een 10/00 gevlochten 8-braid en één meter 33/00 fluorocarbon als onderlijn.

Wanneer ik bij de kop van het havenhoofd mijn shad binnenvis krijg ik een eerste vastloper, net aan de bovenkant van het talud, daar waar het ondieper wordt. Gelukkig kan ik de haak lostikken, waarna ik vrijwel direct een aanbeet krijg die ik mis… En nog erger: de twee volgende worpen exact hetzelfde scenario!

Ik besluit om mijn set-up om te bouwen en plaats een andere molen op de hengel. De spoel van deze molen is gevuld met een behoorlijk drijvende 20/00 mm 8-braid en de fluorocarbon onderlijn is nu slechts 50 cm lang en van 26/00 dik materiaal. Deze dikkere dyneema heeft veel meer drijfvermogen… en dus ook liftvermogen.

Met die combinatie maak ik weer een worp en stuur de softbait naar het juiste plaatsje, zo lukt het mij om weer bij het talud des onheils te komen. Door de lijn te liften en zo een opwaartse druk te creëren slaag ik er nu in om het talud af te vissen zonder erin vast te hangen. Kortom, ik verander niet de loodkop-shad combinatie, zoals veel vissers zouden doen. Echter, door mijn lijn-onderlijn combinatie weet ik een andere aanbieding te organiseren. Deze aanpassing wordt beloond met een paar mooie snoekbaarzen! Gebruik de stroming als een bondgenoot om jouw ding te doen en besef dat de allerbelangrijkste parameter op een rivier absoluut de stroming is!

JACHT- & RUSTPLAATSEN

Om beter te begrijpen waar een snoekbaars zich bij voorkeur ophoudt laat je je best inspireren door het beestje zelf! Een snoekbaars is een snoekbaars en zal zich dus altijd gedragen als een snoekbaars. Wat ik daar mee bedoel? Een snoekbaars zoekt omstandigheden die hem in het voordeel brengen. Ik zal de belangrijkste kort beschrijven.

De waterkleur is één van de parameters om te weten dat snoekbaarzen zich dieper of ondieper gaan ophouden. Bij somber en zeker vochtig weer kunnen snoekbaarzen zeer ondiep gaan liggen. Vochtig weer is bepalend om insectenlarven te laten uitkomen, wat prooivis aantrek en op zijn beurt weer de rovers.

Snoekbaars is bovendien een liefhebber van alles wat onder water botst. Daarmee doel ik op diepteverschillen, maar ook verschillen in hardheid van bodem, uitgespoelde oevers, diepe putten, beschutting van havens. Dit zijn potentieel goede stekken omdat ze jachtterrein kunnen zijn met nabij de nodige schuilplaatsen.

Naar mijn mening is er een duidelijk verschil tussen jacht- en rustplaatsen, afhankelijk van het moment en aasgedrag. Diepere plaatsen, schaduw en plantenbedden, onderkanten van taluds of dieperliggende plateaus zijn potentiële rustplaatsen. Rustplaatsen hebben een duidelijke link met niet-actieve periodes en snoekbaars ligt dan vaak tegen de bodem.

Wanneer de snoekbaars actief wordt verlaat hij meestal de rustplaats en komt losser van de bodem. Avond, nacht en ochtend zijn meestal de actiefste periodes. Gelukkig voor ons vissers kan snoekbaars in rust en niet-actief toch verleid worden tot een aanbeet. Er is wel een duidelijk verschil in benadering van actieve en passievere snoekbaarzen. Bij actieve rovers is dikwijls de imitatie van de prooi belangrijk. Vooral de grootte is soms cruciaal.

Bij passieve snoekbaarzen hebben we gelukkig nog andere trigger mogelijkheden. Agressie en territoriumdrift zijn wel de twee belangrijkste. Onder deze omstandigheden komt de doos met frivole verschijningen en flashy kleurtjes tevoorschijn!
Voor mij zijn de donkerste uren meestal de uren om grotere vis te verwachten. Overdag zijn dit de agressievere vissen en de kleinere exemplaren die zich laten verleiden.

STEKBENADERING

Stel, je staat op een haven- of kribkop, hoe pak je het dan aan? Ten eerste werp je de softbait in de stroming onder een hoek die je kunstaas weer uit de stroming duwt, naar de keerstroom toe. Je werpt niet de shad op de beoogde visplek, maar je maakt gebruik van de stroming door er steeds naartoe te vissen.

Belangrijker dan jezelf de vraag te stellen of je wel het juiste gewicht jighead en type kunstaas gebruikt, is je eigen staanplaats en de hoek van je aanbieding. Maak eerst kortere worpen, en daarna pas langere worpen om het gebied gecontroleerd af te vissen.

VAN KORT NAAR LANG

Onderdeel van het plan om zo efficiënt mogelijk een spot te bevissen is goed na te denken over korte en lange worpen. Ik begin altijd met een korte worp om de vissen zo weinig mogelijk te verstoren. Waarom? Wanneer je direct volle afstand werpt en op grote afstand een vis haakt, dan kan het drillen de potentieel vangbare vissen dichterbij verstoren en moeilijker vangbaar maken. Dus eerst korte worpen en dan steeds verder weg vissen.

Er zijn van die momenten dat elke beweging wel te veel lijkt en voortgang van je kunstaas niets oplevert omdat snoekbaarzen compleet passief zijn, herkenbaar? Voor mij werkt het volgende alternatief soms echt wel goed, vooral in koudere periodes: een iets te zware loodkop. Bijvoorbeeld 10 of 14 gram, terwijl 7 gram perfect te vissen is. Kies een stand-up of erie jigkop met als versiering een softbait die zo weinig mogelijk weerstand heeft en veel beweging in zich draagt zonder uitgesproken in beweging te zijn.

Dus geen schoepstaarten, tenzij zeer soepel en beweeglijk, maar eerder slugs, wormen of v-staarten. Het kunstaas wordt over de stek geworpen en al schuifelend en met zachte bewegingen vanuit de hengeltop voortbewogen over de bodem. De rustperiodes zijn langer dan de bewegende periodes. Deze techniek heeft al vaak opeens wel vis opgeleverd!

EEN PLAN VAN AANPAK

Het is van groot belang om je visdag goed te plannen. Alle elementen die je in jouw voordeel kan gebruiken moet je kennen en alle elementen die je nadeel opleveren moet je evenzeer kennen. Ik loop enkele belangrijke elementen na.

Gaat het om de periode van de dag, besef dan dat de avond en ochtend in de regel de ideale aasperiodes zijn. Overdag en vooral bij betrokken of vochtig weer kunnen snoekbaarzen vrij ondiep zitten. Zonnig weer noodzaakt je om wat dieper of beschaduwde plekken te bevissen.
Rekening houden met de periode van het jaar is enorm belangrijk om snoekbaarzen te lokaliseren.

Koude periodes beïnvloeden het insectenleven ongunstig en hierdoor gaan aasvissen zich ook anders gedragen. Prooivissen zijn dan meestal wat dieper te vinden! Warmere periodes daarentegen beïnvloeden het insectenleven gunstig en brengen prooivissen dikwijls zeer dicht onder de kant of tussen de plantenbedden. Daar vind je dan ook hun predatoren.

Als het gaat om windrichting, heb ik geen uitgesproken voorkeur. De enige uitzondering is een warme, vochtige zuidwesten- of westenwind, omdat het insectenleven hierdoor gestimuleerd wordt. Wat ik wel belangrijk vind, is dat ik mezelf kan positioneren op een manier dat de wind mij voordeel brengt. Ik vind in mijn plan van aanpak het erg belangrijk om een groot arsenaal aan potentieel belangrijke visstekken te hebben. Zo vind ik altijd wel een paar stekken die ik qua windinvloed in mijn voordeel kan gebruiken.

De getijwerking kan op sommige stekken een allesbepalend element zijn. De stroming in bepaalde momenten van het getij kan snoekbaarzen actief maken of ervoor zorgen dat ze zich op een bepaalde plaats ophouden. De stroomperiode van halfweg afgaand over laag tot half opkomend, of de stroomperiode van halfweg opkomend tot half afgaand over hoogtij zijn meestal ideaal.

SOFTBAIT STUREN

Voor mij heeft de ideale hengel een fijne topactie. Dat houdt in een gevoelige top voor zowel een fijne beetregistratie als om het moment dat je jighead op de bodem valt te kunnen registreren. Het verdere verloop van de hengel is het best te omschrijven als een taaie halfparabool met veel body in het laatste gedeelte. De lengte is afhankelijk van je standplaats ten opzichte van het water. Hoe hoger je boven het water staat, des te korter de hengel kan zijn. Op rivieren is dit minimaal 2,4 meter, met een maximum van 3 meter.

Het belangrijkste onderdeel aan een molen is een fijn opspoelmechanisme. De norm is het feilloos opspoelen van je lijn zonder spanning en toch foutloos opgespoeld. Qua formaat voelt een type 1000 tot 2500 voor mij het best aan. De spoel wordt voorzien van bij voorkeur een 8-braid dyneema die zo glad en soepel mogelijk is.

Een 4-braid heeft dan weer als voordeel dat ze minder kwetsbaar is. Een lijn moet je optimaal kunnen zien. De kleur hangt af van de achtergrond, maar meestal is fluo groen in donkere omstandigheden en grijs of oranje in heldere omstandigheden het beste zichtbaar. Dikwijls volg ik tijdens het vissen alleen de lijn; zo zie ik aanbeten die ik niet voel. Ook zie ik aan de lijn mijn loodkop op de bodem landen in plaats van het moment met de hengel te voelen.

Gebruik bij voorkeur minimaal 10/00 op snoekbaars, bij een riviervisserij is 12/00 of 14/00 een betere keuze. Hoe dunner, des te kwetsbaarder. Met dikkere lijnen kan je ook beter een ‘vorm meegeven’ op het water. Een dunnere lijn zinkt rechter naar je loodkop toe en dat is zeker een nadeel als je de stroming op je lijn gebruikt om de softbait naar een plaats uit de stroming te sturen. Om zeer lichte loodkoppen (lichter dan 4 gram) te sturen en een bepaald patroon te laten zwemmen gebruik ik somt tot 20/00 dyneema.

JIGKOPPEN
Je kan verschillende typen jigkoppen gebruiken. De meest gebruikte is ongetwijfeld de ronde loodkop. Kenmerkend is de snelle afzink en de weinige zweeffase. Bij landing op de bodem platvallend wegens geen profiel. Kortom, ideaal om te verticalen maar ik vind dit type compleet ongeschikt om werpend te vissen! Wat ik dan gebruik is een football vorm, zeker wanneer er geen uitgesproken talud is. Deze vorm heeft een ideale glijbeweging en blijft perfect in balans bij het landen. Perfect in te zetten bij jiggen over de bodem, zeker bij een ‘start en stop’ techniek, waarbij de stop zeker een aantal seconden na de landing mag worden aangehouden.

Daarnaast is een erie-vorm loodkop perfect geschikt om de contouren van een talud te volgen. Zo’n jigkop is ook ideaal om de versnelling en beweging uit je aanbieding te halen.
In combinatie met een pointy tail of v-staart gaat je kunstaas licht schommelend in de stroming bewegen: een topkeuze, die zeker in koude omstandigheden het verschil kan maken!

“Lijndikte is één van de aspecten die een grote invloed heeft op de manier waarop en de plek waar je het kunstaas wil aanbieden

Bij het snoekbaarsvissen spelen soms kleine aspecten van doorslaggevende rol. Lijndikte is één van de aspecten die een grote invloed heeft op de manier waarop en de plek waar je het kunstaas wil aanbieden. Het is tevens een aspect waar je zelden over leest. Voilà, ik hoop dat je daardoor geïnspireerd raakt en wens je veel succes bij het snoekbaarsvissen in de stroming. Doe er je voordeel mee!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.